We maakten kennis met verkleinwoorden d.m.v. een spelletje:
"Ik heb een vis. Wie heef het verkleinwoord van vis?"
"Ik heb een visje. Wie heeft het verkleinwoord van lepel?"
"Ik heb een lepeltje. Wie heeft het verkleinwoord van raam?"
...
"Ik heb een visje. Wie heeft het verkleinwoord van lepel?"
"Ik heb een lepeltje. Wie heeft het verkleinwoord van raam?"
...